Vormen en hervormen in ons onderwijs

Opinie

Zowel in het Nederlandstalig als Franstalig onderwijs werden vorig jaar met de ‘Modernisering secundair onderwijs’ en het ‘Pacte d’Excellence’ de wettelijke krijtlijnen vastgelegd voor de broodnodige hervorming van het middelbaar onderwijs. Deze decreten laten echter nog heel veel vrijheid voor de onderwijsverstrekkers. Het slagen of falen van de hervormingen hangt af van hoe de scholen en hun besturen de hervormingen invullen.

De hervorming van het secundair onderwijs is urgent omwille van diverse redenen die we uitvoerig analyseren in een nieuw boek ‘De (her)vormende school’, uitgegeven door de denktank Itinera.

Ten eerste zijn er zowel in Vlaanderen als de Federatie Wallonië-Brussel (FWB) heel veel jongeren die zittenblijven. Waar het OESO gemiddelde 12% bedraagt, loopt dit op tot 24% in de Vlaamse Gemeenschap, en 46% in FWB. Er bestaat bovendien ook een sterke sociale ongelijkheid met betrekking tot zittenblijven aangezien vooral jongeren uit de laagste sociaal-economische status (SES) groepen blijven zitten. Meer bepaald bleven van de 15-jarigen uit het laagste SES-deciel 45% zitten, terwijl dit 9% bedraagt in de hoogste SES-groep.

Schoolprestaties

Een tweede reden die de hervorming acuut maakt, is het lage of dalende niveau in schoolprestaties. In de FWB behalen bijna 1 op 4 leerlingen het basisniveau in wetenschappen niet. Tegelijk is er in Vlaanderen een systematische en merkbare daling van het aantal hoogpresterende leerlingen in wiskunde. Ten derde is er een hoge onderwijsongelijkheid en een lage sociale mobiliteit op school. In een eerder boek ‘De geslaagde school’ argumenteren we dat landen zoals België (Vlaamse of Franstalige Gemeenschap) met grote ongelijkheid tussen scholen of tussen leerlingen ook gekenmerkt worden door lage sociale mobiliteit op school. Dit is problematisch omdat we niet alle beschikbare talenten aanspreken, en zo zowel individuele als maatschappelijke welvaart verspillen.

De hervormingen van het middelbaar onderwijs willen onder andere expliciet bovenstaande punten ombuigen. De hervormingen zijn zeker een stap in de goede richting, en bevatten de nodige krijtlijnen om de uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Let wel, kunnen bieden en niet bieden. Veel zal immers afhangen van de concrete implementatie van deze hervormingen. Het zullen de scholen en haar besturen zijn die zullen bepalen of de hervormingen zullen slagen. Omwille van politieke compromissen is er bij het opmaken van de decreten immers (te) veel vrijheid gegeven aan de onderwijsverstrekkers. Zo kunnen in Vlaanderen scholen kiezen welke basisopties ze zullen aanbieden in de eerste graad, en kunnen ze zelf kiezen om de zo verguisde opdeling in onderwijsvormen (ASO, KSO, TSO en BSO) te behouden. Deze vrijheid is zonder twijfel een gemiste kans omdat scholen en schoolbesturen een bewuste keuze kunnen blijven maken om elitair te zijn. In FWB observeren we op gelijkaardige manier dat de scholen beleidsplannen moeten maken, die heel vrijblijvend en zonder grote ambities ingevuld kunnen worden.

Omgekeerd zou de hervorming van het Vlaams middelbaar onderwijs wel kunnen slagen als we de structuur en cultuur van ons onderwijs daadwerkelijk kunnen veranderen. In Vlaanderen zou dit betekenen dat we werken met campus- en domeinscholen. Immers, bij domein- en campusscholen kunnen jongeren kiezen voor een interessegebied, waarbij de klassenraad jongeren binnen dit interessegebied veel beter kan oriënteren qua mate van abstractheid. Dit zal het zittenblijven verminderen omdat jongeren binnen eenzelfde schoollocatie naar een ander niveau van abstractie kunnen. Via een gelijkaardig mechanisme zal dit de schooluitval reduceren, en schoolmoeheid tegengaan. Voorwaarde hiervoor is wel dat leerlingen een gemotiveerde studiekeuze kunnen maken op basis van hun interesses en talent. Daarom is een breed vormende eerste graad waarin leerlingen kunnen proeven van alle studiedomeinen van belang.

Cultuur van welwillendheid

In de FWB zou een koerswijziging betekenen dat we daadwerkelijk resultaatssturing krijgen, eerder dan een sturing op middelen zoals in het verleden steeds het geval was. De huidige heersende cultuur in het Franstalig onderwijs is meer een cultuur van welwillendheid dan een resultaatsgerichte cultuur. Het is niet meteen duidelijk hoe het Pact deze cultuurverandering concreet tot stand zal brengen, maar wel dat de krijtlijnen hiervoor beschikbaar zijn. Zo krijgen scholen en hun besturen meer autonomie en verantwoordelijkheid, wordt het beroepsonderwijs geherstructureerd en is er veel aandacht voor het bevorderen van de sociale mix.

In beide landsdelen moeten de eerste resultaten op het terrein op 1 september 2019 zichtbaar zijn. Dit zorgt er voor dat dit jaar de scholen en hun besturen moeten nadenken over de concrete implementatie van de decreten. Concrete en harde keuzes zullen gemaakt moeten worden. Nu de Decreten hen veel vrijheid geven, kunnen scholen en hun besturen hun kans nemen om te bewijzen dat een decentrale sturing en autonomie werkt. Ze kunnen bewijzen dat zij politieke compromissen kunnen overstijgen en gedurfde keuzes kunnen maken om het onderwijs daadwerkelijk en van onderuit te verbeteren en zo de pijnpunten van ons onderwijs weg te werken.  2018 wordt zo het jaar van de waarheid voor ons onderwijs.

Bijlage(n)