Tien lessen na de Brusselse aanslagen

De lessen

Vooreerst: België heeft een probleem met terrorisme en dat is gelinkt aan een radicaal deel van de islam. De situatie in delen van het Brussels Gewest is meer dan zorgelijk. De opmars van het salafisme in delen van deze deelstaat gaat erg snel – ook een gevolg van de volledige mislukking van een deel van de integratie (Zie: B. BENYAICH (ed.), Klokslag Twaalf, Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid, Itinera 2014). In het verleden is er veel te laks opgetreden vanwege de overheden. Want er valt toch wel iets te verdedigen ten aanzien van onze maatschappelijk waarden, namelijk: de seculiere staat, de gelijkheid van man en vrouw, de vrije meningsuiting, de vrije verkiezingen, de persvrijheid, de sociaal liberale markteconomie e.a. De regel moet zijn dat iedereen deze waarden heeft te aanvaarden en dat daarover niet wordt onderhandeld. Men dient hier ook vast te stellen dat de talrijke gefinancierde maatschappelijke programma’s, het onderwijs en de betrokken ouders hier tekort hebben geschoten. In aansluiting met het voorgaande kan men ook vaststellen dat de instellingen van de islamitische eredienst (erkend sinds 1974) nooit optimaal hebben gewerkt. De staatshervorming heeft hier ook voor een heterogeen pakket gezorgd en dit door de erkenning van de gebouwen als bevoegdheid aan de deelstaten te geven en de erkenning alsook de financiering van het personeel federaal te laten.

Secundo, heeft de regering het terreurniveau al geruime tijd op niveau drie staan en dat was zeker geen ondoordachte maatregel vanwege het OCAD. Maar de vraag is of men niet beter na de arrestatie van Abdeslam heel het land op terreurniveau vier had gebracht? Bovendien is het OCAD maar een kleine instelling en het zou een verbetering zijn om het crisiscentrum bij het OCAD te plaatsen. Dat zou ook een beter beeld geven om een terreurniveau vast te stellen. Ook moeten we vaststellen dat de vele veiligheids- en inlichtingsdiensten (staatsveiligheid, ADIV, federaal parket, lokale politie, federale politie, douane, Fanc, crisiscentrum, brandweer) niet centraal gecoördineerd worden – louter om politieke redenen. De feiten roepen om één ‘DNI: Director of National Intelligence’, die werkelijk en gezagvol coördineert en vereenvoudigt. Net zoals Nederland horen de bevoegdheden veiligheid en justitie samen bij één Minister.

Tertio, is er het probleem Molenbeek. Dit deel van Brussel heeft nu mondiaal de grootste bekendheid gekregen. Maar ook in andere delen van het Hoofdstedelijk Gewest zijn er grote concentraties van salafistische groepen. Met Molenbeek komen we ook in discussie van de Brussels 19 gemeentelijke baronieën en de zes Brusselse politiezones. Dat is niet langer houdbaar, en dit debat is geen communautair debat, het gaat over goed en efficiënt bestuur. De Brusselse bestuurlijke chaos is een échte verantwoordelijkheid van alle Franstalige beleidspartijen, de feiten laten hen niet toe om dit te blijven ontkennen.

Ten vierde, heeft deze toestand ook nog eens bewezen dat de politie- en inlichtingsdiensten over te weinig HUMINT (Human Intelligence) beschikken, dat men, met andere woorden, niet weet wie er in het Brussels Gewest woont, laat staan dat men zicht heeft op wat er gebeurt. De accuraatheid van het bevolkingsregister is in de eerste plaats een taak van de gemeenten, maar met de mogelijkheid dat de FOD Binnenlandse Zaken ingrijpt. De huidige realiteit wijst ook op de volledig afwezige straatwerking vanwege de lokale politiezones in dit Gewest, hoewel men de 6 politiezones verdedigt met het argument van ‘proximité’.

Een vijfde les uit dit terrorismedossier betreft de problematiek van de financiering van de strijd tegen terrorisme. Er is te veel gratuit wegbezuinigd en er is te weinig efficiëntiewinst geboekt. Op dat vlak moet België nog veel progressie maken.

De zesde conclusie is de kost van de antiterreur-aanpak voor de begroting. Wat kost dit nu allemaal aan de federale regering (basis initiële begroting 2016 en in miljoenen euro’s)? Die kosten zijn de volgende: crisiscentrum: 4,2 miljoen euro, douane: 195 miljoen euro, defensie: 2.339 miljoen euro, OCAD: 1,6 miljoen euro, politie (incl. dotaties lokale zones): 1.746 miljoen euro, staatsveiligheid: 44,4 miljoen euro. Daarnaast heeft de regering een provisioneel krediet ingeschreven op de Begroting Algemene Uitgaven (nr. 03.41 bij de FOB B&B) en dat voor de volgende bedragen: asiel en migratie: 350 miljoen euro, veiligheid (defensie, cyber, achterstallige premies personeel, gerechtskosten, materieel etc.): 303 miljoen euro.

Het KB van 27 oktober 2015 (BS, 30 oktober 2015, 2de editie) legt het personeelskader vast van de federale politie met 13.500 mensen. Als dit kader voldoende zou opgevuld zijn, dan volstaat dit om de taken uit te voeren. Maar intern zijn er in dit kader zeker verschuivingen mogelijk om de strijd tegen het terrorisme te verstevigen. De federale uitgavenbegroting (hoofdstuk 17) begroot voor 2016 zowat 1,75 miljard euro voor de politie, waarvan 750 miljoen federale dotaties voor de lokale zones. Maar dat geld heeft grotendeels betrekking op de personeels- en werkingskost. Ook hier ziet men de gevolgen van de nefaste besparingen bij de investeringen. Een cruciaal punt in het anti-terreurbeleid is de (federale) gerechtelijke politie (afdeling 17.42 van de begroting) met een kost van 300 miljoen euro. Dat bedrag is in een benchmarking zeker niet veel, maar deze dienst heeft nog geen 15 miljoen voor werking en investeringen!

Een zevende les betreft het mondiaal imago van Brussel en in extenso België. Het is nu aan de regering om dit negatief beeld weg te werken en dat kan, in eerste instantie, alleen maar door het buitenland te overtuigen met een doortastend anti-terreurbeleid. Ook als hoofdstad van de Europese Unie en de NAVO dient Brussel een beter politiek en politioneel bestuur te krijgen, we blijven niet wegkomen met amateurisme en improvisatie.

Ten achtste, is er op de 22ste maart nog meer misgelopen. Men denkt hier aan de niet-werking van het Astrid telecommunicatienetwerk voor de hulpdiensten, het uitvallen van het grootste deel van het mobiele netwerk voor de rest van de bevolking en de talrijke bedreigingen ten aanzien van de nucleaire sites alsook hun personeel.

Als negende opmerking is er de wenselijkheid van een onderzoek vanwege de vaste comités I en P over de Belgische aanpak. Want het is overduidelijk dat er te veel is misgelopen bij het volgen van de verdachte terroristen. Dan is het aan de verantwoordelijke politici om daaruit lessen te trekken via de begeleidingscommissies in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Men moet er oog voor hebben daarbij de gerechtelijke procedures niet te doorkruisen of te schaden. En een grote vraag is of men eerst de hele parlementaire onderzoekscommissie moet laten concluderen vooraleer men veranderingen aanpakt? Vele van de hier genoemde zaken zijn gekend en gedocumenteerd.

Ten slotte, dient men nog eens te herhalen dat België ook het slachtoffer is van de gebrekkige controle van de buitengrenzen in de Schengenzone. Daarom dient de Belgische regering het voortouw te nemen om een nieuwe mini-Schengen te creëren, met als kern de Benelux-landen, Duitsland, Oostenrijk en Zweden. Ook controles bij de aankomst in en het vertrek uit de Schengenzone moeten opnieuw ingevoerd worden. Ingevolge de recente dure deal met Turkije geeft de EU zelf toe dat de huidige Schengenzone niet werkt. Maar het is erg gesteld met de Europese waarden, normen en verantwoordelijkheden als we de bescherming van de Schengengrenzen overlaten aan de goodwill vanuit Ankara.

Conclusie

De aanslagen te Brussel en alles wat daar aan vooraf is gegaan, zijn het imago van dit land niet ten goede gekomen. Bovendien werken de aanslagen en de dreigingen ook belemmerend voor de economische activiteiten, het toerisme en investeringen. Op die wijze is duidelijk dat een hoger budget voor de veiligheid ook noodzakelijk is voor de opleving van de economie.