Nieuw Itinera Rapport over Gelijke kansen op school

Analyse

De centrale opdracht van het onderwijs: gelijke kansen

In ons rapport benaderen we op een nieuwe manier het begrip ‘gelijkheid’, zoals het in de evaluaties van de onderwijssystemen werd gedefinieerd. Vandaag de dag wordt het verplicht onderwijs door iedereen gepercipieerd als een vector van sociale emancipatie. Het scheppen van gelijke kansen is dan ook een belangrijke uitdaging voor het beleid geworden. We kunnen spreken van gelijke onderwijskansen wanneer de sociale afkomst van de leerlingen geen invloed heeft op hun schoolresultaten. Het is dus zaak om de aanvankelijke handicap weg te werken en compensaties te bieden voor de omstandigheden van waaruit leerlingen vertrekken, zodat zij gelijke kansen krijgen in het leven. Dat is de centrale opdracht van het onderwijs.

Veerkracht als kansengelijkheid

Veerkrachtige leerlingen zijn leerlingen uit achtergestelde milieus die het goed doen op school. Om dit fenomeen te onderzoeken, vergelijken we voor elk land de relatieve kansen van een leerling om tot de 25% beste leerlingen van het land te behoren (op basis van de PISA-test 2012), naargelang deze leerling tot het kwart van de bevolking behoort dat sociaal het meest bevoordeeld is, dan wel tot het kwart van de bevolking dat sociaal het meest achtergesteld is. Het resultaat spreekt voor zich: de Vlaamse Gemeenschap bengelt onderaan de rangschikking met een kansongelijkheid die drie keer zo groot is als die in de landen die aan de kop van de rangschikking staan. In de Vlaamse Gemeenschap heeft een leerling uit een bevoorrecht milieu zeven keer meer kans om tot de beste leerlingen te behoren dan een leerling uit een achtergesteld milieu. De Franse Gemeenschap komt uit bij een relatievekansenratio van 6, terwijl het gemiddelde in de OESO-landen 4 bedraagt.

Sociale mobiliteit als kansengelijkheid

De (opklimmende) sociale mobiliteit meet in hoeverre een leerling hoger kan eindigen in de rangschikking op basis van de PISA-test dan hij op de sociale ladder gepositioneerd staat. België staat onderaan de rangschikking op het vlak van sociale mobiliteit en bekleedt de 7e slechtste plaats op 34 landen. De sociale mobiliteit is in de twee gemeenschappen vergelijkbaar. Canada en Finland tonen zich binnen de OESO zeer goede leerlingen op het vlak van sociale mobiliteit.

Synergie tussen sociale mobiliteit en prestaties

We tonen een positieve correlatie aan tussen mobiliteit en prestaties, afgemeten aan het gemiddelde niveau van de leerlingen, binnen de verschillende schoolsystemen in de OESO-landen. Dit lijkt erop te wijzen dat een gelijkekansenbeleid het gevoel van onmacht vermindert dat kinderen uit sociaal achtergestelde milieus tegenover het onderwijs koesteren. Dit motiveert de leerlingen en stimuleert een gezonde wedijver (‘Waarom zou het mij niet lukken?’). De sociale mobiliteit is ook groter in landen met minder ongelijkheid in het onderwijs. Tot slot stellen we ook een grotere sociale mobiliteit vast in landen met een grotere sociale gemengdheid in het onderwijs.

Synergie tussen sterke en zwakke leerlingen

De internationale vergelijking wijst op een sterke positieve correlatie tussen de resultaten van sterke leerlingen en die van zwakke leerlingen. Een mogelijke verklaring voor dit resultaat is dat, wanneer het niveau van de zwakkeren wordt opgetrokken, het gemiddelde niveau automatisch omhoog gaat, wat tot gevolg heeft dat de druk op de besten ook groter wordt. Indien we op Belgisch niveau de verschillende gemeenschappen op basis van deze criteria vergelijken, stellen we vast dat de score van de sterke leerlingen en van de zwakke leerlingen in de Vlaamse Gemeenschap boven het Belgische gemiddelde ligt. Omgekeerd halen de sterke leerlingen en de zwakke leerlingen in de Franse Gemeenschap een score die onder het Belgische gemiddelde ligt. De lacunes van de zwakke leerlingen zijn deels toe te schrijven aan een vorm van onderwijsorganisatie die de verschillen versterkt. Omgekeerd zijn er ook onderwijsvormen die iedereen naar boven trekken zonder de verschillen te versterken.

Sociale mobiliteit in de onderwijsnetten

De sociale mobiliteit is groter bij de groep leerlingen uit het gemeenschapsonderwijs dan bij de leerlingen uit het vrij onderwijs. Dat geldt in de twee Belgische gemeenschappen. Het spreekt voor zich dat de verdeling van de resultaten en de sociaaleconomische samenstelling van groep tot groep verschilt. In elke gemeenschap blijken migranten een grotere veerkracht te vertonen. Het effect van schoolfalen op de veerkracht is genuanceerder. Eén keer zittenblijven lijkt de veerkracht bij de betreffende leerlingen te vergroten, maar twee of meer keer een jaar overdoen lijkt de veerkracht veeleer aan te tasten.

Eenoudergezinnen

Voor wat betreft het verschil in resultaten bij leerlingen uit eenoudergezinnen, zit de Franse Gemeenschap rond het gemiddelde, terwijl de Vlaamse Gemeenschap onderaan het klassement bengelt: de schoolresultaten van kinderen uit eenoudergezinnen zijn er 8% slechter. Deze verslechtering van de schoolresultaten met 8% komt op de PISA-schaal overeen met één jaar schoolachterstand. Alleen Turkije doet het nog slechter. Het effect van eenoudergezinnen verschilt naargelang van het geslacht van de leerlingen: bij jongens stellen we een groter negatief effect op de schoolresultaten vast dan bij meisjes.

Aanbeveling

Werkloosheid, arbeidsonzekerheid en de toenemende armoede die met name de eenoudergezinnen treft, zorgen ervoor dat de kinderen van de meest achtergestelde gezinnen in erg moeilijke omstandigheden moeten studeren. We moeten rekening houden met deze realiteit in onze strijd voor gelijke kansen.

Ons rapport wijst uit dat het in België fout loopt (tenzij dan in de Duitstalige Gemeenschap) met de centrale opdracht van het onderwijs: gelijke kansen scheppen voor iedereen. Onze analyse geeft echter ook aan dat verandering mogelijk is zonder dat we hoeven te kiezen tussen uitmuntendheid en rechtvaardigheid. Dit moet ons ertoe aanzetten om de ideologische tegenstellingen met betrekking tot het onderwijssysteem te overwinnen en op een pragmatische, concrete manier werk te maken van kwaliteitsonderwijs, zodat we er ‘met elk kind dat we onderwijzen, een mens bij krijgen’ (Victor Hugo).

Bijlage(n)