Falen: een les op weg naar succes!

Persbericht

Een faillissement te goeder trouw kan elke ondernemer overkomen.

De faillissementswet kijkt naar het verleden.

Het is ook mogelijk het faillissement te goeder trouw te zien als een ervaring waaruit de starter lessen trekt voor de toekomst.  

Ondernemers zijn de drijvers van welvaartscreatie. Ze nemen initiatief, richten ondernemingen op, investeren en creëren jobs en meerwaarde.

Dat inzicht leidt tot grote sympathie voor starters en ondersteunende initiatieven ter bevordering van ondernemersschap, en dat is goed.

De andere zijde van de medaille is onderbelicht. We beseffen dat ondernemers risico nemen met hun eigen middelen, maar we hebben overwegend een statische blik op ondernemingen. We beseffen nauwelijks hoe zeer ondernemingen komen en gaan, reorganiseren, vervellen, splitsen of overgenomen worden. En ook… worden stopgezet of in faling gaan.

Wie niet slaagt kan in faling gaan en verliest al snel de sympathie waarop hij of zij bij de start kon rekenen. De atmosfeer rond faillissementen is negatief en veroordelend. Dit is de focus van dit boek: een andere kijk op de mislukking te goeder trouw van ondernemers.

Analyse:

  1. Vanuit macro-economisch standpunt zijn faillissementen op termijn niet slecht voor de economie : ze dragen immers bij tot een hogere graad van “turbulentie”. Ondernemingen kunnen verdwijnen en er worden er ook nieuwe opgericht, dat is een normaal kenmerk van een gezonde economie. Dat is de “creatieve destructie” in de economie. Micro-economisch zijn faillissementen natuurlijk nadelig voor de ondernemer, zijn leveranciers, de werknemers en de samenleving.
  2. Maar het negatieve beeld verdient nuancering. Falingen worden nog te vaak gezien als een mislukking, de gefailleerde wordt gebrandmerkt en krijgt zelden nog een tweede kans. In de VS is falen echter geen ‘failure’, maar een ‘lesson learned’.
  3. In onze economie zijn er te veel slapende ondernemingen, “zombies”. Een te groot aantal “zombies” weegt op de economie: zonder deze zombies zou er door anderen meer geinvesteerd kunnen worden. Belgische investeringen waren anno 2013 ca. 4 % lager dan in 2008.
  4. Twee derde van de ondernemingen die failliet gaan betreft ondernemingen zonder werknemers. Men moet ook voor ogen houden dat ondernemingen op een andere wijze kunnen stoppen dan door faillissement. Slechts 15% van de stopzettingen van ondernemingen gebeurt, volgens de cijfers van de FOD Economie, door faillissement.
  5. Er komt een stijging van het aantal faillissementen. Maar dat ligt aan een wijziging van het toepassingsgebied in de wet: andere entiteiten dan ondernemingen, zoals vrije beroepen, verenigingen, VZW’s …, kunnen in de toekomst ook in faling gaan. Dat gaat de statistieken vertekenen.

Aanbevelingen:

  1. De systematische laattijdige betaling door overheden lokt faillissementen uit. Overheden moeten correct betalen.
  2. Na faillissement weegt het bevoorrecht karakter van de schuldvordering van overheden enorm op het faillissement: andere handelaars blijven met onbetaalde facturen achter, zodat de economische schade vergroot. Zoals bij de gerechtelijke reorganisatie, moet de schuldvordering van de belastingen en de sociale zekerheid ook bij faillissement haar bevoorrecht karakter verliezen.
  3. Een positievere houding tegenover ondernemerschap vergt een andere visie op faillissementen te goeder trouw, waarvan het stigma moet weggewerkt worden. Dit vergt wijzigingen in de faillissementswetgeving, en aandacht in het onderwijs en in informatiecampagnes.
  4. Faillissementen moeten sneller afgehandeld worden.
  5. Directe aflevering van een fiscaal attest van niet-inbaarheid van hun schuldvordering aan leveranciers met openstaande facturen, is noodzakelijk om gevolgschade bij andere ondernemers te voorkomen. Dat kan bij uitspraak van het faillissement van de debiteur, met correctie bij sluiting van het faillissement.
  6. De ondernemer die in faling gaat te goeder trouw verdient een tweede kans. Hier ligt een rol voor de rechter-commissarissen en de curatoren, die concreet zicht hebben op het dossier en het verschil kennen tussen de fraudeurs, de onbekwamen en de pechvogels.
  7. De Kamers voor ondernemingen in moeilijkheden bij de Rechtbank van Koophandel dienen versterkt te worden voor een nuttig en daadwerkelijk preventiebeleid. Efficiënte en snelle incassoprocedures, zonder cumul van kosten op kosten, dienen uitgewerkt.
  8. Met een sectorgebonden aanpak en coaching van ondernemers kan men ondernemers bijstaan.
  9. Een uniformer gerechtelijk beleid is wenselijk. Dat vergt niet alleen een deugdelijk wettelijk kader, maar ook een mentaliteitswijziging bij de afwikkeling van het faillissement te goeder trouw. Daarbij moeten alle stakeholders, zoals leveranciers, klanten, financiële instellingen, e.dgl. betrokken worden.
  10. Buitengerechtelijke afhandeling van bedrijven in moeilijkheden is soms aangewezen. Goede voorbeelden zijn het minnelijk akkoord in de pre-procedurele fase van de gerechtelijke reorganisatie, en de nieuwe buitengerechtelijke incassoprocedure voor onbetwiste schulden, met een steeds groter gewicht voor de bemiddelaar.

 

Contact:
Paul Becue (Visiting Fellow Itinera)  en Ivan Van de Cloot (Chief Economist Itinera) – T. 0478/43.47.17