Een vennootschapsbelasting pro innovatie

Analyse

We tonen aan dat er ondanks evoluties op het vlak van de vennootschapsbelasting (o.a. notionele intrestaftrek) de bedrijfsbelastingen zich historisch en internationaal op een hoog peil bevinden. Terwijl onderzoek aantoont dat vennootschapsbelasting aan het staartje bengelt van de meest nefaste belastingen, is een verlaging geen prioriteit. In een budgettaire moeilijke context moeten zeker ook bedrijven hun fair share betalen.

Te vaak worden kleine ondernemingen uitgespeeld tegenover grotere terwijl beide belangrijk zijn voor de Belgische economie. Het opstarten van nieuwe ondernemingen en doorgroeien van KMO’s is extreem belangrijk om het economisch weefsel te vernieuwen. Bij evaluaties van belastingshervormingen moet niet alleen gekeken worden naar risico’s op delocalisatie van huidige activiteiten maar ook naar de prikkel om nieuwe investeringen nog bij ons te laten plaatsvinden.

Itinera stelt specifiek dat de best practice op het vlak van fiscaliteit inzake innovatie verankerd dient te worden. Een correcte inning impliceert dat er voldoende getoetst wordt dat belastingsvoordelen tot werkelijk  innovatie aanleiding geven wat vandaag niet altijd verzekerd is.

Grafiek: Tarieven vennootschapsbelasting (%)  

Grafiek : Effectief belastingtarief voor niet-financiële sector

Grafiek: Belastingen betaald door vennootschappen sinds 1970 (% bbp)

Elders hebben we voorstellen gelanceerd inzake de financiering voor innovatie en start-ups (Itinera 2014) en fiscaliteit inzake onderzoek en ontwikkeling (Itinera 2013). Iedereen belijdt in die context het belang van innovatie dan moeten die woorden ook omgezet worden in daden.

In Itinera (2013) evalueerden we de fiscale O&O stimuli op basis van de vereisten van eenvoudigheid, transparantie, voorspelbaarheid en lage administratieve lasten. De twee belangrijkste pijlers hierbij zijn de loonkosten van de onderzoekers en de investeringsuitgaven voor O&O. We concluderen dat de steun via de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing van onderzoekers gezien zijn succes opgetrokken kan worden. Hierbij heeft de differentiatie naar diploma’s voor het bepalen van het vrijstellingspercentage zeker zin. Om te bewaken dat effectief méér O&O gerealiseerd wordt (de additionaliteit) is coördinatie tussen gewesten en federale overheid essentieel. Opdat ook ondernemingen met weinig belastbare basis (typisch jonge innovatie-KMO’s) gestimuleerd worden, kan het saldo van het fiscale voordeel na opeenvolgende jaren zonder voldoende winsten gestort worden. De ervaring in het buitenland leert dat het belangrijk is om ondernemingen op permanente basis te betrekken in het beleidsproces met als doel de maatregelen bij te sturen en af te stemmen op de werkelijke noden. Om zowel flexibiliteit als zekerheid te combineren bevelen we ook aan om de aanvraag voor fiscale steun zowel op voorhand als achteraf toe te laten. Verder is er geen reden om bedrijven die O&O-projecten uitbesteden aan universiteiten en publieke onderzoekscentra uit te sluiten voor belastingvrijstelling. Als ons land de kenniseconomie ernstig neemt, moet het ook durven een kwantitatieve doelstelling voorop te stellen. Indien het streefdoel 3% van het BBP is, impliceert dit een volumegroei van 25%.

“Tax shift, Waarom ons land een belastinghervorming nodig heeft” verschijnt bij Lannoo: http://www.lannoo.be/taxshift