De Staatssecretaris voor Overheidsbedrijven speelt met het idee om de Lotto-inzet in de toekomst minder exclusief te herverdelen onder een groter aantal winnaars. Dit charmante promotieoffensief van ‘meer mensen meer laten winnen’ wordt in de berichtgeving gerelateerd aan het sociale imago van de Lotto.
De werkelijke impact van staatsloterijen is echter allesbehalve sociaal. Al het empirische onderzoek bevestigt dat de lagere inkomensklassen een disproportioneel groot aandeel van de spelers en totale inzet leveren. Wie producten koopt van staatsloterijen, betaalt impliciet een hoge omzetbelasting aan de overheid als organisator. Zo functioneren staatsloterijen als inningmechanismen van regressieve belastingen: lage inkomensgroepen betalen een disproportioneel aandeel van deze belastingen. Niet sociaal dus.
Daarbij komt dat de projecten die de Nationale Loterij steunt – cultuur, patrimonium, duurzame ontwikkeling etc. – vooral geapprecieerd worden door de hogere inkomensgroepen. Uiteindelijk ontstaat een merkwaardige herverdeling van relatief arm naar relatief rijk: opnieuw bezwaarlijk een sociale doelstelling.
Evenmin sociaal is het afwentelen van de sociale kost van problematisch gokgedrag op de maatschappij. Een ruwe schatting leert dat deze jaarlijkse maatschappelijke kost in de buurt ligt van de jaarlijkse omzet van de Nationale Loterij. In tijden van toenemende gokverslaving moet de vraag worden gesteld of de overheid een rol heeft als promotor van kansspelen die een materialistisch maatschappijbeeld cultiveren van snel superrijk worden zonder enige inspanning.
