Politici halen geen stemmen met langetermijndenken

Opinie

Stijn Ronsse, visiting fellow bij denktank Itinera, zoekt naar oplossingen voor problemen die de mogelijkheden van een democratie overstijgen: ‘Stemmen worden jammer genoeg enkel gehaald door zichtbare resultaten binnen een verkiezingstermijn te boeken.’

Vorig jaar wierp collega Ivan Van de Cloot volgende vraag op: welke politicus die met de lange termijn bezig is, werd daar ooit voor beloond?

Het antwoord op deze eerder retorische vraag laat zich natuurlijk raden. Terecht opperde hij dat er moet geïnvesteerd worden in instituten die moeilijk in kaart te brengen risico’s onderzoeken.

Ieder weldenkend mens weet bijvoorbeeld dat de opwarming van de aarde verstrekkende schadelijke gevolgen zal hebben, maar sommige beleidsmakers verschuilen zich achter de resterende onzekerheid om geen actie te moeten ondernemen. Finland speelde hierop in met de oprichting van een ‘parlementaire commissie voor de toekomst’, een orgaan dat focust op langetermijnproblemen.

Maar de aanstelling van Donald Trump als president van de Verenigde Staten illustreert dat het oprichten en voortbestaan van instituten geen zaligmakend idee is en sterk afhankelijk blijkt van de politieke context.

Ondanks tegenstand vanuit bepaalde hoek was het ontnuchterend hoe beperkt de reacties op zijn versoepeling van het Amerikaanse milieubeleid waren en hoe snel alles weer overwaaide. Business as usual.

Hoewel dit natuurlijk een extreem voorbeeld is, laten ook discussies dichter bij huis blijken hoe afwezig de stem van toekomstige generaties in het hele publieke debat blijft. Het gevaar dat dit met zich meebrengt, is eenvoudig te verduidelijken aan de hand van de zogenaamde tragedy of the commons.

Deze theorie verduidelijkt dat indien iedereen het eigenbelang nastreeft, dit leidt tot uitputting van gemeenschappelijke goederen (denken we bijvoorbeeld aan milieuvervuiling).

Een veelgebruikte metafoor is die van een middeleeuws dorp waarrond gemeenschappelijk grasland ligt. Elke boer zal er belang bij hebben om zoveel mogelijk koeien op de grond te laten grazen; dat vergroot immers de eigen opbrengst. Maar het probleem is dat de kosten (het overbegraasde grasland) worden afgewenteld op het hele dorp. Uiteindelijk zal al het gras opgegeten zijn en kunnen de koeien niet langer gevoed worden; zowel de boeren als de inwoners van het dorp verliezen.

Dit denkschema is toepasbaar op verschillende maatschappelijke problemen, voorbeelden zijn: vervuiling, overbevissing en verkeersopstoppingen. De voordelen komen het individu ten goede, de nadelen zijn voor de maatschappij. De theorie is ook een goed analysekader voor het ontbreken van een langetermijnvisie bij kiezers en beleidsmakers; het enige verschil is dat de betrokken spelers niet naast elkaar leven maar in verschillende generaties. De huidige generaties gebruiken het grasland, de toekomstige krijgen de dorre grond.

Vaak voorgestelde oplossingen voor de tragedy zijn gemeenschappelijk overleg (bepleit door Nobelprijswinnaar Elinor Ostrom) en het privatiseren van de gemeenschappelijke gronden en het afbakenen van het speelveld door de overheid.

Voor de eerste oplossing moet de problematiek eerst en vooral erkend worden door de maatschappij (de toekomstige generaties zijn er immers nog niet) en dat is niet het geval. De tweede oplossing is dan weer praktisch niet realiseerbaar en dus niet wenselijk.

Er rest ons nog een derde oplossing; een overheid die regels uitvaardigt zodat uitputting niet langer mogelijk is. Maar nu komt de aap uit de mouw. In het bestaande democratische systeem ontbreekt het beleidsmakers aan drijfveren om deze regels op te stellen en aan langetermijndenken te doen. Stemmen worden gehaald door zichtbare resultaten binnen een verkiezingstermijn te boeken.

Waar ligt de verantwoordelijkheid voor het relatief kleinere belang van langetermijndoelstellingen? Is onze huidige democratie wel geschikt om deze belangen te verdedigen?

Gemiddeld stemmen kiezers rationeel en verkiezen ze het eigenbelang boven dat van toekomstige generaties. Beleidsmakers die hun hoofd boven het maaiveld uitsteken worden daarvoor electoraal afgerekend; het nastreven van langetermijndoelstellingen heeft namelijk vaak negatieve consequenties op korte termijn. Daarnaast zijn beslissingen vaak ook verweven met andere sectoren die gevolgen ervaren van een aangepast beleid.

Dit alles zorgt voor een patstelling. We kunnen niet verwachten dat de oplossing van de kiezers komt, maar ook niet van beleidsmakers gebonden aan het systeem. Hoe kunnen we in een democratisch systeem garanderen dat de stem van toekomstige generaties een rol speelt – over regeerperiodes heen?

Deze vraag kan beantwoord worden door op zoek te gaan naar succesvolle voorbeelden wereldwijd. We staan echter nog maar aan de wieg van het besef van de problematiek. Er worden verschillende mogelijke oplossingen in de literatuur gesuggereerd, maar een waaier aan praktische uitwerkingen laat nog op zich wachten.

Aan de aanbodzijde worden hier en daar wel nationale instituten en democratische organen opgericht, maar dit zijn vooral geïsoleerde voorbeelden. Door hun kleinschaligheid en een gebrek aan samenwerking ontbreekt het deze initiatieven aan voldoende slagkracht.

Aan de vraagzijde (dus bij de kiezer) kan getracht worden om via onderwijs een cultuuromslag te realiseren waarbij het belang van de instandhouding van gemeenschappelijke eigendommen centraal staat. Maar dit is slechts een langetermijnoplossing terwijl de problemen nu reeds moeten aangepakt worden.

Vanuit dat oogpunt kan het nuttig zijn op zoek te gaan naar succesvolle oplossingen voor uitdagingen met gelijkaardige karakteristieken. Het Europese monetaire en budgettaire beleid lijkt op dat vlak nuttig te zijn om te gebruiken als vergelijking. Door respectievelijk het beleid uit te stippelen en te coördineren worden de cruciale beslissingen uit handen genomen van het nationale niveau en werd en wordt er daadkrachtig beleid gevoerd voor een problematiek die: enerzijds uitermate belangrijk is maar anderzijds de publieke opinie koud laat.

Hoewel het Europese gedachtegoed vaak verguisd wordt, blijft de rol die het kan spelen ter bescherming van jonge en toekomstige generaties onderbelicht. Een Europees instituut dat door beleid te voeren of te coördineren het kortetermijndenken en de gevolgen daarvan aanpakt, lijkt in de huidige context de beste garantie op groen grasland voor de toekomst.