Hoe moet beleid omgaan met armoede in gezinnen zonder binding met de arbeidsmarkt?

België telt niet alleen bijzonder veel gezinnen waar geen van beide ouders economisch actief is, maar zij zijn er ook erger aan toe dan hun lotgenoten in andere landen’, schrijft Simon Ghiotto van Itinera. ‘Hoe moet het beleid daarmee omgaan?’

Zomervakantie: kinderen kijken er soms lang naar uit, net zoals hun ouders. Tijd van vertier en ontspanning. Voor allemaal? Niet voor een te grote groep van gezinnen die in dit rijke land in armoede leeft. Ons land kent stuitende armoedecijfers, met legio interpretaties. Daarbij ontsnapt een groep van gezinnen die in geconcentreerde armoede leven vaak aan de aandacht, met name de gezinnen waar geen van beide ouders economisch actief is. In deze gezinnen zijn man en vrouw langdurig werkloos of helemaal niet op de arbeidsmarkt aanwezig. Ze zijn zonder twijfel hét meest frappante armoedefenomeen van België. Voor hen is armoede geen voorbijgaande fase, maar een eeuwige vloek. België telt niet alleen bijzonder veel van deze gezinnen, maar zij zijn er ook erger aan toe dan hun lotgenoten in andere landen. Volgens de laatste beschikbare cijfers gaat het over iets meer dan 1 op 10 kinderen in Vlaanderen en zelfs meer dan 1 op 3 in Brussel-Hoofdstad.

Wat betekent dit voor deze kinderen? Zij zijn zeer vaak geboren in (kans-)armoede, en groeien op zonder een vader of moeder die aan het werk zijn. Kruis die toestand met hun onderwijssituatie, taalachterstand, beperkte deelname aan kinderopvang en kleuteronderwijs, en je hebt de jammerlijke cocktail waar onze grootsteden de trieste getuigen van zijn. Beknotte psychosociale vaardigheden, hersenontwikkeling en cognitieve vaardigheden, hechtingsproblemen, problematische schoolprestaties en schoolverlaten, jeugdcriminaliteit, gezondheidsrisico’s, … dit zijn de voorspelbare gevolgen van kansarmoede en kansenongelijkheid.

Kansarmoede is nefast voor elk kind, en de afwezigheid van tewerkgestelde rolmodellen versterkt de mix. Rolmodellen zijn personen met wie we ons identificeren, en die tonen wie we kunnen zijn, wat we kunnen bereiken. Projecten als SODAjobs of PEP vzw zetten zeer sterk in op het belang van rolmodellen voor scholieren in het technisch- en beroepsonderwijs, of van allochtone afkomst. Ook zetten talloze initiatieven professionele vrouwen, vrouwelijke politici, vrouwelijke ondernemers of managers in de verf om jonge meisjes te tonen dat ook zij de volgende Marie Curie, de volgende Frau Merkel of de volgende Straffe Madam kunnen zijn.

Rolmodellen

De belangrijkste rolmodellen van jonge kinderen zijn de ouders, maar dit werkt in beide richtingen: positief én negatief. Kinderen van ouders die niet werken, passen hun verwachtingspatroon aan. De werkweek wordt betekenisloos, dagen hebben geen structuur, de sociale contacten verdunnen, leegte wordt een norm. Inspanning leveren op school hoeft niet meer, want waarom je best doen als er toch geen jobs in het vooruitzicht zijn? Als een job niet enkel onmogelijk lijkt, maar in extreme gevallen zelfs niet meer wenselijk wordt?

Hoe moet het beleid omgaan met hardnekkige armoede in gezinnen zonder binding met de arbeidsmarkt? Een effectief gezinsbeleid is een geïntegreerd gezinsbeleid, een geïntegreerd gezinsbeleid gaat per definitie over de grenzen van beleidsdomeinen heen en werkt met het hele gezin. Dat betekent: ouders toeleiden naar de arbeidsmarkt, en hun kinderen kansen bieden. Simpel gezegd, moeilijk gedaan.

Daarnaast kennen we allemaal het spreekwoord van het paard en het water. We moeten deze gezinnen dan ook appelleren op hun eigen verantwoordelijkheden en mogelijkheden. Kansarm betekent allerminst machteloos. Het punt hier is niet dat kinderen zelf schuld hebben aan intergenerationele kansarmoede die ze zelf met de paplepel binnenkregen hebben, maar om de omstandigheid dat ieder volgens zijn mogelijkheden kan trachten haar of zijn toestand te verbeteren. Als dat gebeurt, leven de mensen op, herleven ook wijken en kan “sociale controle” ook een hefboom voor activering worden.

Hoe werkt dat concreet? Werk is meer dan een inkomstenbron, het is een belangrijk onderdeel van economische, sociale en maatschappelijke participatie, het is zelfs opgenomen in de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens. Het doel moet dan ook zijn elk van die ouders naar de arbeidsmarkt te leiden binnen een gepersonaliseerd traject van bemiddeling en begeleiding: naar jobs, naar opleidingen met zicht op jobs en/of naar taalcursussen. Aangepaste jobs binnen een doelgroepbeleid vinden hier ook hun plaats.

De kinderen op hun beurt moeten maximale ontwikkelingskansen krijgen, de socio-economische situatie van de ouders mag het lot van het kind niet blijvend determineren. Sociale immobiliteit en een gedoemde lotsbestemming zijn geen aanvaardbare opties. Hoe doen we dat? De gebruikelijke recepten voor kinderen in armoede zijn kwalitatieve kinderopvang, persoonlijke begeleiding van de ouders, toeleiding naar toegankelijke buitenschoolse activiteiten zoals jeugdbeweging of sportvereniging – dit alles binnen geïntegreerde netwerken zoals gezinscentra en brede scholen. Deze bestaan niet enkel uit publieke organisaties zoals scholen, Kind & Gezin, bibliotheken en OCMW’s, maar ook uit (lokale) middenveldorganisaties, vrijwilligersverenigingen en andere private initiatieven (zowel for-profit, social-profit & non-profit). Bovendien betekent toegang tot en toeleiding naar voorzieningen zoals kinderopvang niet dat de overheid dit zelf moet inrichten. De plaats van de overheid is vaker op de regisseursstoel dan op de bühne. In het boek De Staat van het Gezin (LannooCampus, 2016) gaan we hier verder op in.

Structuur van werkdag en werkweek

Voor kinderen van inactieve ouders moet het gebrek aan economisch actieve rolmodellen echter ook bijzondere aandacht krijgen. De structuur van werkdag en werkweek brengt voor werkende ouders soms kopzorgen mee, maar bezorgt hun kinderen ook een mate van voorspelbaarheid, zekerheid en veiligheid. Dit mag niet zomaar wegvallen in de zomervakanties. Bij vakantie-activiteiten kunnen kinderen andere rolmodellen zien: andere kinderen, de monitoren van de speelpleinwerking, actieve ouderen, vrijwilligers die zich inzetten voor de vakantie-activiteiten. Ook de écoles de devoirs die we vinden in Franstalig België zijn een uitstekend middel om schoolachterstand aan te pakken en structuur te biedenDeze ‘huiswerkscholen’ zijn initiatieven die vooral bedoeld zijn voor kansarme kinderen en vaak gebeuren door vrijwilligers. De naam is enigszins ongelukkig gekozen, want ze zijn zelden aan een school verbonden, en ze doen vaak veel meer dan huiswerkbegeleiding.

Voor grotere kinderen kunnen vakantie- en vrijwilligerswerk arbeidsethos en teamgeest bijbrengen. In jeugdverenigingen over het hele land zetten kinderen van jong en oud zich geregeld in voor activiteiten zoals een zwerfvuilactie of benefietacties. En de ouders die we aan het werk krijgen of in opleidingen worden weer de positieve rolmodellen waar hun kinderen naar kunnen opkijken.

Het slechte nieuws hebt u gehoord en gelezen: ons land kent, zelfs bij een hernemende economie, een hardnekkige armoedekern. De harde armoede van gezinnen waarin vader noch moeder werken is bijzonder kwalijk voor de ouders, hun kinderen en voor de samenleving. Het goede nieuws luidt dat dit geen fatale voorbestemming moet zijn. We hebben de kennis en middelen om de kansen te keren. Geen gemakkelijke opdracht, maar ook geen onmogelijke. Een noemenswaardige investering met een gigantisch rendement.

We weten wat te doen, nu moeten we doen wat we weten.

Deze tekst verscheen eerder op Knack.be op 03/08/2017