Godsdienst kan geen rechtsbron zijn

Opinie

‘In een rechtsstaat kan godsdienst geen rechtsbron zijn’, reageert Leo Neels op het opiniestuk ‘De sharia staat wel boven de wet’.

Is het niet opmerkelijk? Als het OCAD de Saoudische propaganda voor het wahabistisch salafisme in de Nationale Veiligheidsraad aanduidt als belangrijke dreiging, ontstaat er nauwelijks een rimpeling. Wanneer dat rapport weken later lekt , is het voorpaginanieuws; maar het werd al onmiddellijk weggerelativeerd in de suggesties dat zulke praktijken door de beginselen menings- of godsdienstvrijheid zouden gedekt worden. Er verschijnen ook opiniestukken die aanvoeren dat we wél moeten ingrijpen. Mij lijkt het problematisch dat wij de kernwaarden van ons samenlevingsmodel niet uitleggen of verdedigen.

Afgelopen weekend las ik het opiniestuk van Jonas Slaats: ‘De sharia staat wel boven de wet’. Misschien is die theologische wijsheid theologisch juist, maar juridisch is dat irrelevant. En net dat onderscheid is hier van belang. Want godsdienst kan geen rechtsbron zijn, en rechtsregels gelden op gelijke wijze voor atheïsten, of aanhangers van élke religie, ongeacht wat hun religieuze voorschriften bepalen. Op juridisch vlak zijn religieuze voorschriften wel degelijk ondergeschikt aan de rechtsregels. Punt.

Onze samenleving kan zich niet permitteren dat we zo lankmoedig blijven over de ‘waarden en normen’ die eraan ten grondslag liggen. Vrijheid van godsdienst is een onderdeel van universele mensenrechten, doch ze bestaat enkel binnen dat rechtskader dat gekenmerkt is door democratie, de rechtsstaat, en universele mensenrechten. De rechtsorde geldt altijd en voor iedereen, met voorrang op élk ander normatief stelsel; wanneer religieuze waarden of normen haaks staan op rechtsregels, moeten die religieuze normen wijken voor het geldend recht. Nog anders uitgedrukt: in een rechtsstaat kan godsdienst geen rechtsbron zijn.

Geen plaats voor een absolute waarheid

Godsdiensten met een extreme proselitische dimensie, en dus een uitgesproken bekeerdrift, staan als zodanig op gespannen voet met het beginsel van godsdienstvrijheid: dat beginsel erkent immers élke godsdienst die die kwalificatie waardig is – een sekte is dat bijvoorbeeld niet – maar ook het recht om a-religieus te zijn. Gelovigen kunnen trachten zieltjes te winnen, doch met respect voor andere overtuigingen en opvatting, ook atheïstische. Gaan ze in de richting van een absolute waarheid die aan anderen moet worden opgedrongen, dan staan ze haaks op fundamentele rechten en vrijheden, waaronder de menings- en godsdienstvrijheid, waarmee een opgelegde dogmatische religie niet verenigbaar is.

Scheiding tussen kerk en staat, ook de buitenlandse staat

Dat verklaart ook de neutraliteit van staat en overheden op godsdienstig vlak: zij moeten de diverse godsdiensten, binnen de rechtsorde, ruimte geven om zich te ontwikkelen voor zover de grenzen van de rechtsorde dat toelaten. Wij benoemen dat als scheiding van kerk en staat. Ten aanzien van Saoudi-Arabië, dat moslims bij ons met zijn wahabistisch-salafistische propaganda bestookt, geldt dat beginsel ook, omdat scheiding van kerk en staat ook scheiding inhoudt van kerk en buitenlandse staat. Ook de vaak dubieuze rol van het Turkse ministerie van godsdienstzaken, Dinayet, staat daarmee op gespannen voet. Nochtans is niet bekend dat de Minister van Buitenlandse Zaken inmiddels de ambassadeurs van Saoudi-Arabië of van Turkije zou hebben ontboden…

De islam is een erkende godsdienst in dit land. Duizenden moslims belijden die binnen de krijtlijnen van onze democratie, rechtsstaat en met respect voor alle mensenrechten. Men noemt dat vaak een gematigde islam. De aanhangers van die gematigde islam hebben recht op volmondige en ondubbelzinnige steun van alle autoriteiten van het land. Dan vraag ik mij af: waarom blijven die autoriteiten zo stil? Wat hebben onze overheden te winnen bij hun stilzwijgen en twijfelachtigheid?

Organisaties die zich beroepen op radicale lezingen van de islam, die voorrang van de sharia op de rechtsorde bepleiten, of nog, de ongelijkheid van man en vrouw, of sancties op ongelovigen, zijn daarmee niet verenigbaar. Dat is geen theologische kwestie, maar een juridische. Die organisaties ageren ook niet binnen, maar buiten de rechtsorde en zulke verenigingen zijn verboden. Dat is de draagwijdte van de beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg van 19 juni 2012 in de zaak Hizb Ut-Tahrir. Die vereniging was in Duitsland buiten de wet gesteld, en haar beroep op de bepalingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens werd niet ontvankelijk verklaard op grond van art. 17 van datzelfde Verdrag.

Democratie moet zich verdedigen

Dat artikel 17 verbiedt immers een beroep op de Verdragsbepalingen om een activiteit aan de dag te leggen die ten doel heeft de rechten en vrijheden die het Verdrag garandeert, te vernietigen of nodeloos te beperken. Dat sluit aan bij de leer van de Weerbare Democratie, die niét moet gedogen dat zij van binnen uit wordt aangevallen door gebruik van de rechten en vrijheden die zij garandeert: dergelijk gebruik is een misbruik van rechten, omdat het doel van die rechten en vrijheden is om de rechtsorde te vrijwaren en verbeteren, niet om ze te ondermijnen.

Het is misschien ontnuchterend, maar we zien dat Turkije inmiddels een abonnement heeft op veroordelingen door het Hof voor de Rechten van de Mens, en resoluut de gewaden van het oude en moderne Turkije afwerpt om te vervellen tot een volleerd autocratisch regime dat fundamentele mensenrechten onderdrukt en miskent. Saoudi-Arabië heeft, destijds, niet eens de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens in de UNO ondertekend. De websites van Hitz Ut-Tahrir – de Belgische variant meldt dat zij “in voorbereiding is”, de Nederlandse is wel actief – propageren onder het mom van de ‘Partij van de Bevrijding’ niets minder dan de fundamentele aanval op de rechtsstaat en de fundamentele rechten en vrijheden van de Mens.

Dat zijn zaken die we beter ernstig nemen, om de vele moslims die zich wel naar deze beginselen willen schikken te steunen in één project van samen-leven. Daarin is ruim plaats voor een moderne islam, zoals Turkije die in zijn moderne jaren fors heeft gepromoveerd. Dat is positieve integratie voor iedereen: met respect voor de rechtsorde en universele mensenrechten samenleven.