Confronterend onderzoek

De bevolkingsexplosie in arme delen van de wereld, de toegang tot kennis over de toestand in andere landen en het feit dat meer en meer mensen de investering kunnen betalen om elders hun heil te zoeken. Dat zijn enkele redenen waarom we wellicht steeds meer migratiestromen kunnen verwachten.

Essentieel is dat de kijk op de gevolgen van migratie anders is als het gaat over een beperkt gebeuren dan wanneer het uitgroeit tot een massaal fenomeen. Terwijl er wel bijvoorbeeld wat geruststellend economisch onderzoek bestaat dat de lonen in het gastland niet onder druk hoeven te komen bij een beperkte instroom, is dat anders bij grote instroomaantallen.

De andere disciplines in de sociale wetenschappen worden al langer geconfronteerd met die realiteit. Af ten toe krijgt men echter koudwatervrees gezien het delicate onderwerp. Zo kwam de befaamde onderzoeker Robert Putnam in 2001 op basis van een dataset van 30.000 personen tot de conclusie dat vertrouwen en sociaal kapitaal afnemen bij een toenemende etnische diversiteit. In de Britse zakenkrant Financial Times verklaarde Putnam dat hij pas vijf jaar later met de resultaten van die doorwrochte analyse naar buiten durfde te komen nadat hij het had kunnen kaderen in een breder stuk met politieke voorstellen. Enerzijds deinzen onderzoekers wel vaker terug voor onderzoek dat de sociaal aanvaardbare canon frustreert. Anderzijds gaat dergelijk onderzoek ook veel minder gemakkelijk opdrachtgevers vinden in de politieke of ambtelijke sfeer.

Bij onderzoekers die zich als activisten opstellen voor meer herverdeling leefde lang een onderhuidse vrees dat migratie het draagvlak voor de verzorgingsstaat zou ondergraven. Empathie komt voort uit een gevoel van gedeelde identiteit. De immigratie van mensen die in cultureel opzicht zeer verschillend zijn en een onevenredig groot deel van de economische lagere inkomensgroepen vormen, zou dat mechanisme kunnen verzwakken. Mensen met weinig geld gaan meer verschillen van mensen met een hoog inkomen.

In 1991 vond een meerderheid van de Britten (58%) dat de overheid meer geld moest uitgeven aan bijstandsuitkeringen, ook al zou dat leiden tot hogere belastingen; omstreeks 2012 was dat aantal gedaald tot een kleine minderheid (28%). Het argument dat culturele diversiteit de bereidheid tot inkomensherverdeling verkleint, is ondertussen breed onderzocht. Een aantal Harvardprofessoren concludeerde dat in Europa meer bereidheid was om herverdeling te accepteren dan in de Verenigde Staten vanwege de grotere culturele homogeniteit in Europa.

Volgens het Nederlandse Centraal Planbureau (CPB) zou een toename van de bevolking door lager geschoolde immigratie met 5 procent leiden tot een daling van de inkomens voor lager opgeleiden met 5 tot 10 procent. Terwijl de immigratie het bruto binnenlands product slechts met 0,1 procent zou verhogen, zou het een inkomensverschuiving van laagopgeleiden naar hoogopgeleiden veroorzaken van tussen 7 en 9 miljard euro.

 

Bij onderzoekers die zich als activisten opstellen voor meer herverdeling leefde lang een onderhuidse vrees dat migratie het draagvlak voor de verzorgingsstaat zou ondergraven.

 

Volgens het CPB zou de komst van niet-westerse immigranten ten belope van jaarlijks 0,05 procent van de bevolking tot een extra belastingdruk leidden van 3.400 euro. De bekendste Amerikaanse onderzoeker op dat vlak rapporteerde een cijfer van een jaarlijkse extra belasting van 1.200 dollar per huishouden als gevolg van de recente immigratie.

De Nederlandse onderzoeker Jaap Dronkers veroorzaakte ook wat deining met zijn studie die een negatief verband blootlegde tussen etnische diversiteit en de schoolresultaten. Hij spreekt ook uitvoerig over de taboes die over dat onderwerp bestaan. Daarom maakte hij zijn levenswerk van het in kaart brengen van het belang van het land van herkomst. De schoolresultaten van Aziatische immigranten verschillen bijvoorbeeld nogal van dat van andere groepen. Hij stelt dat het niet in rekening willen brengen van de rol van het herkomstland eigenlijk betekent dat de onderzoeksresultaten onbetrouwbaar worden.

Onderzoekers vrezen weleens dat hun werk gekaapt wordt door politieke groeperingen. Het is uiteraard het goed recht van Putnam of wie dan ook zelf te bepalen hoe en wanneer hij met zijn onderzoek uitpakt. Beleidsmakers zijn er zich echter beter van bewust dat dergelijke terughoudendheid in bepaalde onderzoeksdomeinen feller speelt dan in andere.

In het verleden werden dergelijke studies weleens gemaakt, maar niet publiek gemaakt. Dat lijkt vandaag minder houdbaar dan voorheen. Als bepaalde data eenmaal verzameld werden, dan is het bijna onvermijdelijk dat ze ook bekend geraken. Uiteraard kan een wetenschapper rekening houden met het feit dat sommige resultaten kunnen inspelen op de angst van de mensen. Putnam vertelt hoe geschokt hij was toen hij duidelijk racistische mails ontving met felicitaties voor zijn analyses.

Elke onderzoeker is weleens bezorgd dat uit zijn werk verkeerde conclusies getrokken worden. Omzichtigheid zal door verschillende mensen ook anders geïnterpreteerd worden. Als het alternatief echter is dat over bepaalde gevoelige onderwerpen te weinig gefundeerde analyses verschijnen, dan is dat ook een probleem voor de maatschappij om verantwoord beleid uit te kunnen stippelen.